Intern ongewenst gedrag Intern ongewenst gedrag en sociale veiligheid op het werk Kritische kanttekeningen bij het Delphi-onderzoek van de Inspectie SZW Begin 2022 heeft de Inspectie SZW een onderzoek uitgevoerd naar intern ongewenst gedrag op de werkvloer, gebaseerd op de zogenoemde Delphi-methode. Het onderzoek richt zich op ongewenst gedrag tussen medewerkers onderling en tussen leidinggevenden en medewerkers, zoals: pesten; discriminatie; seksuele intimidatie; ander grensoverschrijdend gedrag. Agressie en geweld van derden vallen buiten de scope van dit onderzoek. De centrale vraag binnen het onderzoek luidt: Welke risicofactoren in de werkomgeving leiden tot een verhoogde kans op intern ongewenst gedrag en welke maatregelen kunnen werkgevers nemen gericht op die risicofactoren? De uitkomsten van het onderzoek worden gebruikt voor de verdere ontwikkeling van interventies rondom sociale veiligheid en psychosociale arbeidsbelasting (PSA). Intern ongewenst gedrag als PSA-risico Intern ongewenst gedrag valt binnen de Arbowet onder psychosociale arbeidsbelasting (PSA). Werkgevers zijn verplicht om beleid te voeren gericht op het voorkomen of beperken van PSA, waaronder werkstress, ongewenst gedrag en sociale onveiligheid. Binnen organisaties krijgt sociale veiligheid daarom steeds meer aandacht. Tegelijkertijd vraagt dit onderwerp om zorgvuldigheid. Zeker wanneer onderzoeksresultaten worden gebruikt als onderbouwing voor RI&E PSA-beleid, interventies of toezicht. Het onderzoek schuurt met de stand van de wetenschap Hoewel in de inleiding van het Delphi-onderzoek wordt verwezen naar literatuuronderzoek en consultatie van experts, roept het rapport op verschillende punten vragen op vanuit het perspectief van de ‘stand van de wetenschap’. In de eerste ronde van de Delphi-studie werden 37 experts benaderd. Uiteindelijk hebben 27 respondenten de vragenlijst ingevuld. Opvallend is dat de identiteit, achtergrond en expertise van deze respondenten niet transparant worden gemaakt. Ook ontbreekt een literatuurlijst met bronvermeldingen. Juist bij complexe thema’s zoals sociale veiligheid, organisatiecultuur en intern ongewenst gedrag is transparantie belangrijk. Zonder inzicht in definities, normenkaders en theoretische uitgangspunten wordt het lastig om de resultaten goed te duiden of te beoordelen in relatie tot een RI&E psychosociale arbeidsbelasting. Paradox tussen sterke en losse groepsculturen Binnen het onderdeel ‘sociale normen en regels’ vallen met name de beschrijvingen van sterke en losse groepsculturen op. Volgens het onderzoek kenmerkt een sterke groepscultuur zich door: een duidelijke scheidslijn tussen wie wel en niet bij de groep hoort; sterke groepsnormen; hoge sociale binding. Tegelijkertijd wordt een losse groepscultuur beschreven als een omgeving waarin bijvoorbeeld seksueel getinte grappen of opmerkingen over etnische achtergrond als normaal worden gezien. Dat roept vragen op. In de literatuur over organisatiecultuur en sociale normen worden begrippen zoals ‘sterke cultuur’ en ‘losse cultuur’ vaak anders of genuanceerder beschreven. Door het ontbreken van bronvermeldingen blijft onduidelijk op welk theoretisch kader deze definities gebaseerd zijn. Het belang van duidelijke normenkaders De antwoorden uit het Delphi-onderzoek geven vooral inzicht in de opvattingen van respondenten. Maar zonder duidelijk normenkader blijven belangrijke vragen openstaan: Hoe definiëren respondenten organisatiecultuur? Welke wetenschappelijke kaders zijn gebruikt? Hoe worden sociale normen geïnterpreteerd? Welke context of praktijkervaring brengen respondenten mee? Juist binnen vraagstukken rondom sociale veiligheid en PSA is het belangrijk om zorgvuldig onderscheid te maken tussen: cultuur; copingmechanismen; groepsdynamiek; grensoverschrijdend gedrag; conflicten; sociale normen. Sociale veiligheid vraagt nuance Binnen organisaties bestaat het risico dat complexe sociale dynamieken te snel worden teruggebracht tot losse gedragslabels of generieke cultuurkenmerken. Sociale veiligheid vraagt juist om nuance en inzicht in de relatie tussen: werkdruk; leiderschap; organisatiecultuur; groepsdynamiek; psychosociale arbeidsbelasting. Vanuit het perspectief van arbeid en organisatie is het daarom belangrijk om onderzoek naar intern ongewenst gedrag kritisch te blijven toetsen aan de stand van de wetenschap, praktijkervaring en de context van organisaties. Binnen Hollands College staan sociale veiligheid, PSA, organisatiecultuur en werkstress centraal binnen opleidingen, masterclasses en praktijkgerichte kennisdeling rondom arbeid en organisatie. Lees ook ons opinie artikel in Trouw Verwarring door het ontbreken van bronnen en definities Het ontbreken van duidelijke bronvermeldingen en definities binnen het Delphi-onderzoek roept extra vragen op over de interpretatie van organisatiecultuur en sociale normen. Zo vonden wij literatuur waarin juist een ander perspectief wordt geschetst op sterke en zwakke organisatieculturen. In deze studies wordt beschreven dat: zwakke organisatieculturen ruimte kunnen bieden voor zelfstandig denken, ondernemerschap en innovatie; sterke organisatieculturen juist kunnen bijdragen aan verbondenheid, loyaliteit en motivatie van medewerkers. Deze bevindingen laten zien dat cultuur niet eenvoudig is te classificeren als “goed” of “risicovol”. De betekenis van cultuur hangt sterk samen met context, leiderschap, groepsdynamiek en de manier waarop medewerkers omgaan met spanning en samenwerking. Ook binnen de organisatiewetenschap bestaan verschillende definities van cultuur. Edgar Schein omschrijft organisatiecultuur als: “Cultuur is voor een groep wat persoonlijkheid of karakter is voor een individu.” Deze definitie benadrukt dat cultuur diep verweven is met gedeelde overtuigingen, gedrag en betekenisgeving binnen groepen. Daarmee wordt ook zichtbaar hoe ingewikkeld het is om eenduidige normen vast te stellen rondom gewenst en ongewenst gedrag binnen organisaties. De relatie tussen leiderschap en intern ongewenst gedrag Het onderzoek laat daarnaast zien dat respondenten bepaalde leiderschapsstijlen koppelen aan een verhoogd risico op intern ongewenst gedrag. Met name een teruggetrokken of zogenoemd laissez-faire leiderschap wordt genoemd als risicofactor. Bij deze leiderschapsstijl ontbreekt vaak actieve sturing, begrenzing of sociale correctie binnen teams. Respondenten koppelen daarnaast ook autoritair leiderschap aan een verhoogd risico op sociale onveiligheid. Deze bevindingen sluiten aan bij bredere inzichten binnen arbeid en organisatiekunde: leiderschap heeft grote invloed op sociale veiligheid, aanspreekcultuur en de manier waarop teams omgaan met spanning, conflicten en grensoverschrijdend gedrag. Tegelijkertijd vraagt ook dit onderwerp om nuance. Leiderschap staat nooit los van: organisatiecultuur; werkdruk; groepsdynamiek; copingmechanismen; de inrichting van werk. Juist daarom is het belangrijk om vraagstukken rondom sociale veiligheid en intern ongewenst gedrag niet uitsluitend individueel of gedragsmatig te benaderen, maar ook te kijken naar de bredere context van arbeid en organisatie. Leiderschap Een onderzoek uitgevoerd door de KU Leuven heeft drie verschillende leiderschapsprofielen geïdentificeerd die van invloed zijn: Ondersteunend. Toxisch. Ongedefinieerd. De onderzoekers concluderen dat één op de drie (33%) werknemers een ondersteunende leider heeft, wat bijdraagt aan het voorkomen van burn-outrisico’s. Ondersteunend gedrag draagt bij aan het verminderen van stressrisico’s. Het Delphi-onderzoek lijkt daarom de focus te missen op leiderschapsstijlen die kunnen bijdragen aan het voorkomen van ‘burn-out’ klachten. De relatie tussen werkdruk en pesten Tot slot valt op dat de respondenten geen relatie zien tussen werkdruk en pestgedrag. Dit is opmerkelijk, omdat in een artikel over pesten op het werk Francine Dehue met haar collega’s concludeert dat mensen in een groep een zondebok zoeken naarmate de werkdruk toeneemt. Dit komt vooral voor “naarmate autonomie in het werk, de interesse van de leiding en de tevredenheid met het werk afneemt” volgens Francine Dehue. Leemte in kennis is kans voor onderwijs Door de ervaringen van de respondenten te vergelijken met wetenschappelijk onderzoek, wordt duidelijk hoe groot de kloof is tussen ‘mening’ en ‘stand van de wetenschap’. Het Delphi-onderzoek lijkt tot op zekere hoogte te illustreren dat mensen vaak bevestiging zoeken voor ideeën die overeenkomen met hun eigen overtuigingen, wat bekend staat als de ‘confirmation bias’. Confirmation bias Uit de rapportage van Sociale Zaken en Werkgelegenheid blijkt dat de bevindingen uit het Delphi onderzoek zijn gebaseerd op de ervaringsvragen van ‘experts’. Wie dit zijn, is niet helder. De bevindingen geven een goed beeld van de persoonlijke ervaringen van deze onbekende ‘experts’. Tegelijkertijd lijkt geen rekening gehouden te zijn met bepaalde vooroordelen die inherent zijn wanneer je vraagt naar iemands mening. Dit noemen we ook wel bias. Er is sprake van bias wanneer bepaalde (voor)oordelen van invloed zijn op de uitkomsten van een onderzoek. Het gevolg hiervan is dat sommige uitkomsten geen goede afspiegeling zijn van de werkelijkheid en daarmee hun nut en meerwaarde kunnen verliezen. Er zijn meerdere soorten bias die bij een onderzoek kunnen optreden. In het Nederlands tijdschrift voor geneeskunde staan drie voorbeelden: Informatiebias: Wanneer een belangrijk thema (de determinant) wordt gemeten met een vragenlijst – en dus afhankelijk is van de herinnering van de Arbodeskundige – zal een mogelijke meetfout in de determinant waarschijnlijk afhankelijk zijn van de uitkomst. Selectiebias: Stel dat onderzoekers geïnteresseerd zijn in de relatie tussen ongewenst gedrag en cultuur en het onderzoek uit te voeren onder Arbodeskundigen. Dan wordt geselecteerd op het effect van zowel de determinant (ongewenst gedrag) als de uitkomst (opvatting over sterke of losse culturen). Dit selectieproces leidt tot een selectiebias van de relatie tussen determinant en uitkomst. Confounding is een bias die op kan treden in onderzoek naar een causale relatie tussen determinant en uitkomst. In het voorbeeld van groepscultuur, kan het zijn dat er geen causaal verband is tussen groepscultuur en ongewenst gedrag, maar dat groepscultuur een modererende of mediërende of rol speelt. Tot slot Het onderzoek van Sociale Zaken en Werkgelegenheid biedt aanknopingspunten voor een debat en creëert een kans voor het onderwijs om kennislacunes aan te pakken. Met een kritische benadering en een onafhankelijke invalshoek van de Arbokerndeskundige A&O kan de RI&E PSA praktische oplossingen bieden voor het voorkomen of verminderen van verschillende vormen van Psychosociale Arbeidsbelasting (PSA), waaronder werkdruk, werkstress, pesten, seksuele intimidatie en agressie en geweld. In tegenstelling tot het Delphi onderzoek toont de stand van de wetenschap aan dat: Werkdruk een grondoorzaak is voor pesten; Ongewenst gedrag in relatie tot cultuur lastig is te bepalen. Ongewenst gedrag kan anders ervaren worden in een familiecultuur dan in een markt cultuur; Leiderschap bepalend is voor burn-out klachten en niet bekend is of leiderschap van invloed is op ongewenst gedrag. Vorige « Werkdruk onderzoek Volgende Psychologische veerkracht »